CARNAVAL

L.Cielen

Bij wijze van grote uitzondering neem ik in de Rinkkrant eens een tekst over uit een boek. Het gaat om het boek CARNAVAL van Armand Sermon, verschenen in 2001 bij uitgeverij Stichting Mens en Kultuur.

In elk dorpje of grote stad der vroegere Nederlanden, en in de rest van Europa, werden het hele jaar rond, op het vaste ritme van de kalender, feesten georganiseerd. Men noemt ze kalenderfeesten. Deze religieuze en openbare feesten behoorden tot de belangrijke uitingen van de preïndustriële Europese volkscultuur. Niet alleen ware,n de feestdagen een soort ‘verplichte’ vrije tijd in een periode waarin vakantie nog een onbekend verschijnsel was.

Kalenderfeesten hielkden verband met de natuur (oogst, midzomer, winterzonnewende), en waren direct verbonden met de grote liturgische feesten (Pasen, Pinksteren, Allerheiligen, Kerstmis) of vvielen samen metde vieringen van plaatselijke heiligen, bedevaarten of jaarmarkten. Het belangrijkste kalenderfeest was VASTELAVONT , dat later Vastenavond of carnaval werd genoemd.

Vastelavont was een periode die de winter afsloot met ongeremde collectieve feestpartijen, dagen van roes en uitspattingen. Deze feestcultuur was zeer oud en taai. Ondanks verbodsbepalingen en soms brutale repressie ging dit straatfeest eeuwenlang door. Tot voor Eerste Wereldoorlog lezen we in de meest diverse tijdschriften over het élan ervan. Des te opmerkelijker is het volledige verdwijnen in een korte tijdspanne van dit feest in bijna alle gemeenten van Nederlandstalig België. Het einde van het spontane volkskarakter ervan situeert zich vlak voor of na de Eerste Wereldoorlog. Zeker tot aan de Tweede Wereldoorlog leefde in grote steden als Kortrijk, Brussel en Antwerpen nog een kwijnen maar spontaan straat- of cafécarnaval. Naast enkele bekende carnavalssteden waar het feest nog altijd in zijn felheid gevierd wordt kennen we in ons land slechts hier en daar optochten die nog de naam dragen van carnaval. Deze kunnen geenszins worden vergeleken met de uitbundigheid, de weelde, de praal, de pracht, de uitspattingen, de massale en collectieve waanzin die in vroegere tijden de Vlaamse en Brabantse steden overvielen in de carnavalsperiode. Deze feestvreugde moeten we zien in de context van de toenmalige leefomstandigheden. Voor de meestal rurale en stedelijke handenarbeiders was de terugontwakende natuur een zeer lijfelijke ervaring. Vastenavond was de periode van het jaar waarin het einde van de lange koude winter iun zicht kwam. Het eerste groen dat vanaf februari de kop opstak, de eerste pollen die de neusvleugels prikkelden, de geuren van de komende lente verkondigen dat het bijna afgelopen was met de gebrekkige winterse voeding. De warmte van de zon zou weldra de ziektes en de ongemakken verdrijven. reden genoeg om in deze periode van het jaar de laatste resten uit de schapraai te halen en extra feest te vieren. Daarenboven had het feest in een nog niet geïndustrialiseerde maatschappij een andere betekenis dan in de huidige tijd waar men elke dag een feest kan aanrichten. Het feest was een collectief gebeuren, alhoewel veelvuldig aanwezig op afgemeten momenten gepland. Alle andere momenten van het bestaan waren gewijd aan het alledaagse en de harde lichamelijke arbeid. Het feest was zelden een particuliere viering. De persoonlijke verjaardagen werden niet gevierd, de geboortedatum was immers aan de betrokkene niet bekend. Daartegenover stond dan het vieren van de naamheilige. Dit was een collectief feest dat samenviel met de viering ervan door de corporaties of gemeenten.

Het feest was publiek en collectief, want verbonden met de religieuze, economische en sociaal-culturele instituties. Meest bekend zijn nu nog de kerkelijke feesten. In vroeger tijden waren het vooral de ambachten en gilden die de feestcultuur droegen. Zoals we verder zullen zien, werden ze hierbij geholpen door gespecialiseerde organisaties zoals narrengilden of jongerenconventen.

De bloeiperiode van carnaval valt tussen de Middeleeuwen en de Moderne Tijden. In 1302 overwonnen gemeentelijke milities bij Kortrijk het machtigste ridderleger van dat moment. Daarop volgde in het graafschap Vlaanderen een wisselend en woelig, dikwijls conflictueus machtsevenwicht tussen vorsten, patriciërs en volkse organisaties. In 1526 eindigde deze democratische cyclus met het verschijnen van de eerste plakkaten tegen de andersdenkenden. deze periode werd ingeleid door de enige echte hongersnood die de Middeleeuwen gekend hebben van 1315 tot 1317. Deze was het gevolg van klimatologische omstandigheden.

Daarna brak in de loop van de veertiende eeuw de periode van het vleesetend Europa aan. De stijgende welvaart had te maken met een reeks factoren zoals de verbeterde landbouwmethoden, de verstedelijking, de uitbreiding van de handel. De bloeiperiode van het carnavalsfeest ligt voor de Nederlanden in deze periode, vlak voor de zogenaamde godsdienstoorlogen van de zestiende eeuw.

Er zijn niet veel documenten beschikbaar over onze middeleeuwse carnavals, het waren volksfeesten en als dusdanig niet interessant om beschreven te worden.

Een heel ander aspect van carnaval is dat het feest steeds in de tijd van Nieuwe Maan valt en daardoor in schril contrast staat met Pasen dat steeds rond de Volle Maan gevierd wordt. De Paasdatum is overigens afhankelijk van de Volle Maan. Pasen is het feest van de eerste volle maan van de lente. Carnaval is het feest van de laatste nieuwe maan van de winter. Pasen is het feest van het licht dat schijnt in de duisternis. Carnaval is het feest van de duisternis die met lawaai en vuren verjaagd wordt. De veranderende gestalten van de maan vinden we in de Oude Europese cultuur terug als een verwijzing naar de dood en wedergeboorte van de zoon van de Moeder Godin. na drie dagen duisternis (zonder maanlicht want Nieuwe Maan) wordt hij herboren. Na Volle Maan sterft hij weer.

Vuren (als kunstmatig licht) en lawaai horen bij carnaval. In het boek van Le Roy Ladurie over het carnaval van Romans lezen we dat men ‘s avonds en ‘s nachts door de straten liep met brandende fakkels, toortsen, vuurpannen en brandende bussels stro, en dat een middeleeuwse stad vol brandbare houten huizen. Men roept daarbij tegen elkaar, men krijst, en men doet een hoop zaken die niet erg redelijk te noemen zijn. De ambachtslui liepen met belletjes aan de voeten. De trommels ritmeerden met oorverdovend lawaai de dansen met bellen en zwaarden. Rouwtrommels werden geslagen om het breken van de tijd in te luiden.